|
| |

Rasstandaard voor de Duitse Herder
|
De Duitse
Herdershond ontstond omdat een man zich zo verveelde; zo luidt het verhaal.
Bij een militaire oefening waarbij hij op wacht moest staan, observeerde een
jonge adjudant een herder in het Rijngebied. Van wat hij daar zag was hij
onder de indruk; honden die door een bevel of een armbeweging een
reusachtige schaapskudde van de ene plaats naar de andere brachten,
onvermoeibaar en precies. Max von Stephanitz – zo heette de bijna
30-jarige officier, besloot deze honden te gaan fokken.
De standaard van de Duitse Herdershond is opgesteld in de eerste
ledenvergadering te Frankfurt aan Main op 20 september 1899 volgens de
voorstellen van A. Meyer en M. Von Stephanitz |
|
|
KORT HISTORISCH OVERZICHT.
|

Officieel zijn deze bepalingen vastgesteld door de Verein für Deutsche
Schäferhunde (S.V.) met als zetel Augsburg. De S.V. is opgenomen in het
Verband für das Deutsche Hundewesen (V.D.H.) en is als stichtingsvereniging
van het ras verantwoordelijk voor de rasstandaard van de (F.C.l.)
Federation Cynologique International Standaard nr. 166/30.081991/D. Duitse
Herdershond. Land van oorsprong: Duitsland. F.C.I.-Classificatie: groep 1
Herders- en Veedrijvershonden, sectie 1 Herdershonden met werkproef. Gebruik:
veelzijdige gebruiks-, herders- en dienstgebruikshond.
1. ALGEMEEN VERSCHIJNINGSBEELD.
De Duitse Herdershond is middelgroot, licht gestrekt, krachtig en goed
gespierd, de knoken zijn droog en de totaalstructuur is vast. Belangrijke
verhoudingen in maat: De schofthoogte bedraagt voor reuen 60 tot 65 cm, bij
teven 55 tot 60 cm. De romplengte overtreft de maat van de schofthoogte met
ongeveer 10 tot 17%. .
2. KARAKTER.
De Duitse herdershond moet in zijn karakter beeld evenwichtig, zenuwvast,
zelfverzekerd, absoluut onbevangen en (zonder prikkeltoestand) volkomen
goedaardig zijn. Daarbij is hij opmerkzaam en handelbaar. Hij moet moed,
strijddrift en hardheid bezitten om als geleide-, waak-, verdedigings-,
dienst-, en herdershond geschikt te zijn.
3. KOP.
De kop is wigvormig, in overeenstemming met de lichaamsgrootte (ongeveer 40%
van de schofthoogte), zonder plomp of overstrekt te zijn, in het totaal
droog en tussen de oren matig breed.
Het voorhoofd is van voren en van opzij gezien slechts weinig gewelfd en
zonder of slechts met zwak aangeduide middengroef.
De verhouding tussen bovenschedel en gezichtsgedeelte bedraagt 50% - 50%. De
breedte van de bovenschedel komt ongeveer overeen met de lengte van de
bovenschedel.
De bovenschedel gaat (van boven gezien) van de oren tot de punt van de neus,
gelijkmatig verkleinend via een schuin verlopende, niet scherp gevormde stop
over in het wigvormig verlopende gezichtsdeel (vang) van de kop. Boven en
onderkaak zijn krachtig ontwikkeld. De neusrug is recht, een dip of welving
is niet gewenst.De lippen zijn strak, goed sluitend en van donkere kleur. .
4. NEUS.
Deze moet zwart zijn.
5. GEBIT.
Het gebit: moet krachtig, gezond en volledig zijn (42 tanden volgens de
tandformule). De Duitse Herdershond heeft een schaargebit, dat wil zeggen
dat de snijtanden als een schaar in elkaar moeten grijpen, waarbij de
snijtanden van de bovenkaak als een schaar over die van de onderkaak snijden.
Tanggebit, boven voor- en onder voorbijten is foutief, evenals grotere
tussenruimtes tussen de tanden (plaatsing met leemten).
Foutief is eveneens een recht vlak van de snijtanden. De kaakbeenderen
moeten krachtig ontwikkeld zijn opdat de tanden diep in het tandbeen
ingeworteld kunnen zijn.
6.OGEN.
De ogen zijn middelgroot, amandelvormig, iets schuin liggend en niet
uitpuilend. De kleur van de ogen moet zo donker mogelijk zijn. Lichte,
priemende ogen zijn niet gewenst, aangezien ze afbreuk doen aan de
uitdrukking van de hond.
7. OREN.
De Duitse Herdershond heeft staande oren van middelmatige grootte, die
rechtop en gelijk gericht gedragen worden (niet zijwaarts getrokken). Ze
lopen spits uit en zijn met de oorschelp naar voren gericht. Tip- en
hangoren zijn foutief. In beweging of in rusttoestand naar achteren gericht
gedragen oren zijn niet foutief.
8. HALS.
De hals moet krachtig, goed bespierd en zonder losse keelhuid (wammen) zijn.
De hoek ten opzichte van de romp (een horizontale lijn) bedraagt ongeveer
45%.
9. LICHAAM.
De bovenbelijning verloopt, zonder een zichtbare onderbreking, vanaf de
halsaanzet over de goed ontwikkelde schoft en over de, ten opzichte van een
horizontale lijn, heel licht afvallende rug tot aan de licht afvallende
croupe. .
De rug is vast, krachtig en goed bespierd.
De lendenen zijn breed, krachtig gevormd en goed bespierd.
De croupe moet lang en licht afvallend zijn (ongeveer 23% ten opzichte van
een horizontaIe lijn) en zonder onderbreking van de bovenbelijning overgaan
in de staartaanzet. br>
De borst moet matig breed zijn, de onderborst zo lang mogelijk en
uitgesproken. De borstdiepte moet ongeveer 45 tot 48% van de schofthoogte
bedragen.
De ribben behoren een matige welving te tonen, een tonvormige borst is net
zo foutief als vlakke ribben.
De staart reikt minstens tot aan het spronggewricht, evenwel niet over het
midden van de achtervoet. Ze is aan de onderzijde iets langer behaard en
wordt in een licht afhangende boog gedragen, waarbij ze in opwinding en bij
beweging meer opgeheven gedragen wordt, evenwel niet boven de ruglijn.
Operatieve correcties zijn verboden.
10. LEDEMATEN.
Voorhand.
De voorste ledematen zijn van alle zijden bezien recht en van voren bezien
absoluut parallel. Schouderblad en opperarmbeen zijn van gelijke lengte en
door middel van krachtige bespiering vast tegen het lichaam gelegen. De
hoeking van schouderblad en opperarm bedraagt in het ideale geval 90%,
doorgaans tot 110%.
De ellebogen mogen noch in stand noch in de beweging uitgedraaid worden en
evenmin naar binnen qedrukt zijn. De onderarmen zijn van alle zijden bezien
recht en absoluut parallel staande ten opzichte van elkaar, droog en vast
bespierd. De voormiddenvoet heeft een lengte van ongeveer eenderde van de
onderarm en heeft een hoeking met deze van ongeveer 20% tot 22%. Zowel een
te schuin staande voormiddenvoet (meer dan 22%) als een te steil staande
voormiddenvoet (minder dan 22%) beïnvloeden de gebruiksgeschiktheid, in het
bijzonder het uithoudingsvermogen.
De poten zijn rond, goed gesloten en gewelfd. De voetzolen zijn hard maar
niet bros. De nagels zijn krachtig en van donkere kleur.
Achterhand. de plaatsing van de achterpoten is licht terugstaand, waarbij de
achterste ledematen van achteren bezien parallel ten opzichte van elkaar
staan. Boven- en onderschenkel zijn van ongeveer gelijke lengte en vormen
een hoek van ongeveer 120%.
De dijen zijn krachtig en goed gespierd. De spronggewrichten zijn krachtig
gevormd en vast. De achtermiddenvoet staat loodrecht onder het
spronggewricht.
De voeten/tenen zijn gesloten, licht gewelfd, de zolen hard en van donkere
kleur, de nagels krachtig, gewelfd en eveneens donker van kleur.
11. GANGWERK.
De Duitse Herdershond is een draver. De ledematen moeten in lengte en
hoekingen zo op elkaar afgestemd zijn dat zij, zonder wezenlijke verandering
van de rugbelijning, de achterhand tot aan de romp verplaatsen kunnen en met
de voorhand net zo ver kunnen uitgrijpen.
Iedere neiging tot overhoeking van de achterhand vermindert de vastheid en
het uithoudingsvermogen en daarmee de gebruikswaarde. Bij correcte
verhoudingen in de bouw en hoekingen is een ruim uitgrijpend, vlak over de
bodem gaand gangwerk mogelijk, dat de indruk geeft van voorwaarts gerichte,
moeiteloze bewegingen. Bij een naar voren geschoven hoofd en licht opgeheven
staart ziet men bij een gelijkmatige en rustige draf een vanaf de oorpunten
over de nek en de rug tot aan de punt van de staart licht gebogen en niet
onderbroken rugbelijning.
12. HUID.
De huid is (los) aanliggend zonder evenwel plooien te vormen.
13. BEHARING.
Gesteldheid van het haar: De correcte beharing van de Duitse Herdershond
is het stokhaar met onderwol. Het dekhaar moet zo mogelijk dicht, op
correcte wijze hard en vast aanliggend zijn. Aan de kop is het haar, met
inbegrip van de binnenzijde van de oren, aan de voorzijde van de ledematen,
op poten en tenen, kort en aan de hals wat langer en sterker behaard. Aan de
achterzijde van de benen is het haar langer tot aan het polsgewricht. Aan de
achterzijde van de dijen vormt het een matige broek.
14. KLEUREN.
Zwart met roodbruine, bruine, gele tot helgrauwe aftekening, éénkleurig
zwart en grauw, bij grauw donker gewolkt, zwart zadel en masker.
Onopvallende, kleine witte borstvlekken evenals zeer lichte binnenzijde zijn
toegelaten maar niet gewenst. De neusspiegel moet bij alle kleurslagen zwart
zijn. Ontbrekend masker, lichte tot priemende oogkleur evenals lichte tot
witachtige aftekening aan borst en binnenzijden, lichte nagels en rode
staartpunt duiden op pigmentzwakte. De onderwol vertoont een lichte grauwe
tint. De kleur wit is niet toegelaten.
15. GROOTTE EN GEWICHT.
Reuen: schofthoogte 60 tot 65 cm. gewicht 30 tot 40 kg. Teven: schofthoogte
55 tot 60 cm. gewicht 22 tot 32 kg.
16. TESTIKELS.
Reuen behoren twee duidelijke, normaal ontwikkelde testikels te hebben, die
zich volledig in het scrotum bevinden.
17. FOUTEN.
Iedere afwijking van de in de voorgaande genoemde punten, moet als fout
aangemerkt worden, waarbij de waardering in juiste verhouding met de graad
van de afwijking behoort te staan.
18. ERNSTIGE FOUTEN
Afwijkingen van de voorgenoemde raspunten, welke de gebruiksgeschiktheid
benadelen. Oorfouten: Zijwaartse te diep aangezette oren, tiporen,
te eng naar binnen gestelde oren (Schildspanner), niet vaste oren.
Ernstige pigmentfouten.
Ernstige nalatende vastheid van het gehele lichaam.
Tandfouten: Alle afwijkingen van het schaargebit en de tandformule,
voorzover het niet om uitsluitende fouten (zie onderstaand) gaat.
19. UITSLUITENDE FOUTEN
- Karakterzwakke, bijterige en
zenuwzwakke honden.
- Honden met vastgestelde "ernstige H.D"
- Monorchide en kryptorchide reuen of met
duidelijke ongelijke of niet ontwikkelde teeltballen.
- Honden met fouten die de oren en staart
misvormen.
- Honden met misvormingen
- Honden met tandgebreken door het missen
van: 1 x Premolaar 3 en een verdere tand, of l x Hoektand, of 1 x
Premolaar 4, of l x Molaar 1, resp. Molaar 2, of in totaal 3 tanden of
meer.
- Honden met kaakfouten: Bovenover- of
ondervoorbijten van 2 mm. of meer. Tanggebit (van alle snijtanden).
- Honden die meer dan 1 cm. te groot of
te klein zijn.
- Albino's. De haarkleur wit (ook bij
donkere ogen en nagels).
- Langstokhaar (lang, zacht niet vast
aangesloten dekhaar met onderwol, waaiers/pluimen aan oren en benen, zeer
vol behaarde staart met waaiervorming naar beneden).
- Langhaar (lang, zacht haar zonder
onderwol, meestal op het midden van de rug gescheiden, waaiers/pluimen aan
de oren, benen en staart).
|
|